Het Zwem ABC.
Sinds oktober
1998 gaat iedereen die leert zwemmen in opleiding voor het Zwem-ABC. Het
Zwem-ABC staat voor een kindvriendelijke manier van leren zwemmen, waarbij
zwemveiligheid een prominente rol inneemt. Het Zwem-ABC biedt alle vaardigheden
die een moderne recreant tegenwoordig nodig heeft bij het recreëren in
subtropische zwemparadijzen en bij activiteiten op, in en aan het buitenwater.
Het Zwem-ABC kent een logische opbouw, waardoor leerlingen bij het behalen van
ieder diploma vaardiger en veiliger worden. Niet de zwemslagen staan centraal
maar het veilig en vrij bewegen in het water onder alle omstandigheden.

Bij het Zwem-ABC
wordt in eerste instantie veel aandacht besteed aan het watervrij maken van
kinderen. Als leerlingen zelfstandig kunnen drijven op borst en rug, is het tijd
voor de volgende fase, het voortbewegen in het water met behulp van zwemslagen.
Bij het Zwem-ABC
leert men 4 zwemslagen. De schoolslag, enkelvoudige rugslag, borstcrawl en
rugcrawl. De eerste 2 slagen dienen bij het A-diploma reeds goed uitgevoerd te
worden. De eisen van de borst- en rugcrawl worden bij ieder diploma wat
zwaarder. Daarnaast leert men diverse vaardigheden zoals koprol, onder water oriënteren,
onder water zwemmen etc. Het je zelf kunnen redden loopt als een rode draad door
de gehele opleiding Zwem-ABC. Van vallen in het water en opstaan en uit het
water klimmen zonder trapje te gebruiken bij A, tot en met regenjack en lange
broek aan zwemmen bij het C-diploma. Wie alle 3 diploma's (A, B en C) bezit
krijgt het predikaat Zwemveilig.
In het Zwem ABC wordt de nadruk gelegd op het survival
aspect.
Je zelf drijvend houden, onder water oriëntatie, en
diverse voortbewegings technieken zoals schoolslag, rugslag, borstcrawl en
rugcrawl komen aan de orde. Op het moment dat het A diploma gezwommen moet
worden, is het te laat om deze vaardigheden dan pas aan te leren. Daarom wordt
hier al vanaf de eerste les mee begonnen.
Vroeg geleerd, is
immers later zo gedaan.!!
In het ondiepe bad zult u dus deze vaardigheden
telkens in speelse vormen terug zien komen. Het ziet er uit als spelen, maar wij
zien dat als een spelenderwijs aangeleerde vaardigheid.
Bij dit onderdeel is het heel
moeilijk uit te leggen hoe je tot het beste resultaat komt. Ieder kind is
anders.
Je kunt nog zo goed vertellen hoe het
moet, maar het kind moet het doen. Soms begrijpt een kind best hoe het moet,
maar krijgt hij of zij het gewoonweg niet voor elkaar. Dan is het een kwestie
van veel oefenen.
Als het kind het dan "door heeft" gaat
het achter elkaar goed. Wanneer dat is, bepaalt het kind (onbewust).
|